In mijn dagelijks leven ben ik milieuadviseur. Maar diep in mijn hart ben ik een visser. Meegekregen in het visserijgezin waarin ik geboren ben. Niets mooier dan leven en werken met en in de natuur. Op de golven, de vogels in de lucht, vol verwondering over het leven in de zee. Hard werken in de zilte werkelijkheid. In afhankelijkheid van weer en wind, in afhankelijkheid van Gods schepping.

In bijna alles wat ik doe neem ik de visserij mee. De visserij zijn mijn voeten in de aarde, de voelsprieten naar de werkelijkheid. De wetenschap dat alles wat we eten, alles waarvan wij leven, uiteindelijk uit de natuur komt.

Anders dan vele NGO’s en linkse politici ons doen geloven, ben ik ervan overtuigd dat de huidige visserijdruk op de Noordzee in evenwicht is met wat het ecosysteem aan kan. Toch wordt de visser van nu bedreigd en getreiterd met overbodige regelgeving. Dat kan en moet anders. Iedereen die een eerlijke boterham verdient, heeft recht op arbeidsvreugde. Arbeidsvreugde zou eigenlijk het centrale uitgangspunt moeten zijn bij elk beleidsstuk. Zeker als het gaat om boer en visser.

We gaan weer naar de stembus. Bij elke stemming zo oud ik ben, neem ik de visserij mee. Helaas is in het politieke spectrum de keuze niet groot. Mijn stem gaat vol overtuiging naar Jaco Geurts van  het CDA. Een man uit de praktijk, zelf veehouder geweest en heeft het nodige mee gemaakt. Die weet waarover hij praat. Maar ik hoop dat naast het CDA alle partijen die visserijminded zijn, het goed zullen doen. De komende tijd hebben die partijen elkaar hard nodig. Samen sterk voor de visserij!

Vissen voor volk en vaderland

Minister Opstelten en Staatssecretaris Teeven zijn opgestapt, 10 maart 2015. Aanleiding: de kamer onjuist informeren over het bedrag dat de veroordeelde drugscrimineel H. heeft ontvangen in 2000.  Een slordige 4,7 mln, belastingvrij. De beloning voor een zgn. ‘kleine’ vis met als doel een grotere vis te vangen. Een beloning door Teeven bij zijn aftreden uitgelegd als ‘deal voor volk en vaderland’.  En dat is wat zgn. crimefighters als Fred Teven ons al jarenlang voorhouden: de grote vissen moeten worden gevangen, de zware criminele moeten worden gepakt. Het klinkt logisch. Heel erg logisch. Totdat je kijkt en luistert, totdat je ziet en hoort wat er om je heen gebeurt. Een gesprek met de Moedige Moeders, een praatje met Waypoint, even meelopen met Bezorgd Urk.

Het grote vissenbeleid is niet nieuw. Dat is zeker al 25 jaar wat de klok slaat. Het grote vissenbeleid heeft echter niet verhinderd dat ook drugs onderdeel is geworden van het uitgaansleven op Urk, onderdeel van het uitgaansleven in heel Nederland. Het begint net als drank ‘normaal’ te worden. Dat is gevaarlijk, levensgevaarlijk. Het opstappen van de bewindslieden Opstelten en Teven hoort niet te gaan over een bonnetje wat niet aan de Tweede Kamer is verstrekt. Het opstappen staat symbool voor het totale faillissement van het grote vissenbeleid.

Maar waarom werkt het pakken van juist de grote vissen niet? Dan worden toch de echte criminelen gepakt? Het antwoord is heel simpel. Het Openbaar Ministerie is de organisatie die boeven moet vangen. Vergelijk het met het vangen van vis. Voor een visser is het van belang dat de visstand goed blijft. Daar zorgt hij voor door juist te vissen op grote vissen en de kleinere te laten zwemmen voor later. Dus wat gebeurt er als je alleen op de grote criminelen jaagt? Juist, je laat de kleine criminelen gaan, zodat zij ook groot kunnen groeien. Het werkt net als een ecosyteem. Het grote vissenbeleid zorgt voor een welig tierende drugshandel. De drugshandel wordt zo duurzaam in stand gehouden. Je kan er zo een certificaat opplakken. Een handel die er voor zorgt dat onze kinderen bijna net zo makkelijk aan drugs komen, als wij in onze dagen aan een biertje.

Onlangs sprak ik een ex-verslaafde. Een bloem van een Urker meid, geknakt maar op de weg terug. Waar de verslaving begon? ‘Stoer zitten bij een groep jongens in de sporthal, begon met een biertje. Van het een kwam het ander. Van deze zogenaamde vrienden kreeg ik alles’. Daar ligt de wortel. Niet bij die topcrimineel in een veel te kleine zwembroek op een veel te groot jacht. De wortel is juist dichtbij, op plaatsen waarvan je denkt dat zoon en dochter veilig zijn. Laat daar het OM zich op richten. Met alle kracht. Ook de dealer op straat aanpakken. Actie ondernemen naar aanleiding van meldingen van burgers. Probleem aanpakken waar het begint.  Dan kan pas destructief worden gevist, effectief het kwaad aanpakken. Dat is vissen voor volk en vaderland.

De waarde van het Hoffmann-rapport

Donderdag 5 februari 2015 is het rapport van Hoffmann Bedrijfsrechercheurs besproken in de gemeenteraad van Urk. De resultaten van het onderzoek naar het lekken van informatie over het Berechja College naar de pers. Geen dader is gevonden. Wel een 13 pagina’s tellend document met genoeg munitie voor een avond moddergooien in de gemeenteraad. Een avond om snel te vergeten. Het liefst deed ik dat op dat moment ook met het rapport. De uitgebreide versie had ik nog niet gelezen. De verkorte versie had mij al boos gemaakt. En boos was ik, oprecht boos, nog nooit was ik zo boos.

Dit weekend heb ik eindelijk de tijd en kracht gevonden om ook de uitgebreide versie te lezen. Gelukkig mij zelf hervonden en met relativerende blik las ik het document, dat af en toe weg had van een spannend jongensboek. Met mijzelf nota bene als één van de hoofdrolspelers in een mislukte coup om een wethouder omver te werpen. Kennelijk circuleren er verhalen in het geruchtencircuit die de moeite waren om aan het papier toe te vertrouwen. En bij nader inzien ben ik blij dat Hoffmann dit gedaan heeft. Hoffmann heeft nl. iets gedaan wat bij mijn weten nooit eerder iemand heeft gedaan: het op papier zetten van roddels die binnen de plaatselijke politiek en de ambtenarij rondgaan.

Zonder afstand te doen van de persverklaring van het CDA, is dat de waarde en de kracht van het rapport Hoffmann. Het rapport laat zien tot welke vergaande complottheorieën roddels kunnen leiden. En welke gevolgen dit weer heeft voor het nemen van besluiten. En zeker in de laatste weken op Urk zelfs met paranoïde trekken. Nu het debat achter ons ligt over het Berechja College en het Hoffmann-rapport zal de gemeenteraad zich zelf moeten hervinden, met alle 17 raadsleden. Aan het werk om voor de burger dat te doen waarvoor we gekozen zijn. Niet met ons zelf bezig te zijn, maar met onze plicht.

Daarvoor is het nodig dat wij stoppen met roddelen. En ik zeg wij, want ik sluit mij daar ook bij in. Roddelen is zo makkelijk en is onderdeel van onze cultuur. Begint vaak met een grapje, maar voor we het weten leidt het een eigen leven. Het Hoffmann-rapport is daarvan het bewijs. Laten we als raadslid elk 1/17 deel van de schuld op ons nemen en voortaan ons baseren op feiten in plaats van fictie. We hoeven dan geen excuus van elkaar af te eisen, maar wel vergeven en ons voor vergeving open te stellen. Als we die slag kunnen maken zal dat leiden tot herstel van onderling vertrouwen, kunnen we samen zorgen voor een integer bestuur met openheid naar de burger zonder lekken. Dan luisteren we weer naar elkaar en wegen we de argumenten. Alles met het oog voor ons mooie Urk.

Dan komt ook het moment dat de burger ziet dat wij wel voor hen bezig zijn. Dat het vertrouwen herstelt. Dat we weer zonder ons te schamen kunnen zeggen dat we gemeenteraadslid zijn op Urk. Als dat de lessen zijn die we trekken uit het Hoffmann-rapport, dan heeft deze haar nut bewezen.  Dan is het geen weggegooid geld geweest, maar een bijdrage in de keerpunt van de Urker politiek. Een keer ten goede, met dank aan Hoffmann. Een keer die maakt dat de politiek op Urk christelijk genoemd mag worden. Uiteindelijk besturen wij Urk bij de gratie Gods.

Harde heelmeesters

Om 11.00 (3 augustus 2010) kom ik de ziekenhuiskamer binnen om Hilda, mijn vrouw, op te halen. Schigtig loop ik naar binnen, want het lampje brandt op rood. Kennelijk heeft iemand hard hulp nodig. Een oude man zit op zijn stoel. Blik op oneindig naar buiten. Tegenover Hilda ligt een bejaarde vrouw te kreunen. Zij heeft al lang geleden op het rode knopje gedrukt. Eén keer beweegt de oude man zich en vraagt of Hilda voor hem ook op het rode knopje wil drukken. Hij houdt het niet langer vol op zijn stoel. Een minuut later werpt een broeder een blik in de kamer. Hij drukt de ingeschakelde alarmen uit, draait zich om en loopt weg. Hilda geeft aan dat dit nu al voor de tweede keer zo gaat. Gaatdat tegenwoordig zo in de zorg? Of is dit nu het verschil tussen Lelystad en Sneek? Een woede komt in mij op. Even speel ik met de gedachte om zelf die man maar weer in zijn bed terug te leggen. Ondertussen duwt de oude vrouw weer op de rode knop. Na een minuut of tien komt de broeder opnieuw. Nu gaat hij naar de vrouw en vraagt beleefd wat er aan scheelt. “Oh dokter ik heb zo’n pijn”. De broeder antwoordt:  “Ik zie het, je pijnstillers staan nog onaangeroerd. Waarom heb je die laten staan? Logisch dat je nu pijn hebt”. Vervolgens werkt hij zonder pardon een aantal pillen bij haar naar binnen. Deze broeder kent dus zijn pappenheimers. Maar waarom geeft hij dat oude mens nog voorrang boven de oude meneer in zijn stoel? Dat blijkt al snel. De broeder geeft aan dat hij terug in zijn bed mag, maar niet eerder dan dat is afgesproken dat hij tijdens het middageten weer op zijn stoel gaat zitten. De oude man protesteert, maar met alleen liggen wordt hij niet beter. De broeder is daarom onverbiddelijk  streng. Ondertussen dreunt een gespierde zuster de kamer binnen en bevrijdt Hilda van haar infuus. Eindelijk mogen we naar huis. Met een goed gevoel. Niet alleen omdat het beter gaat met Hilda. Ook omdat de zorg niet ten onder gaat aan heelmeesters die stinkende wonden maken.